Is waarschuwen en weerleggen hetzelfde als oordelen en veroordelen?



Maar één Evangelie tot redding...

De Heere zegt in Zijn woord dat kinderen van God gezanten van Christus zijn. Hij roept op om van Hem te getuigen. De boodschap van redding in de Heere Jezus is namelijk voor alle mensen. De Heere wil namelijk dat alle mensen tot bekering komen, dat alle mensen gered worden (2 Petr. 3 : 9). Maar de Heere God dwingt niemand, Hij gaat buiten niemands persoonlijke keuze om.

Redding ontvangt de mens niet door naar de kerk te gaan. Redding ontvangt men niet door zogenaamde sacramenten te ontvangen. Redding ontvangt men niet door een religie aan te hangen. Redding ontvangt men niet door goede daden te doen. Redding ontvangt men zelfs niet door het lezen van de Bijbel en het uitspreken van een gebed… Ef. 2 : 8 en 9 zeggen: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme”. De Bijbel zegt dat er maar één Weg tot God de Vader is. En dat is de Heere Jezus Christus (Joh. 14 : 6). De Bijbel zegt dat God uit liefde Zijn Zoon gezonden heeft, Die voor de zonden van alle mensen aan het kruis van Golgotha gestorven is. De Bijbel zegt dat een mens door het geloof in Zijn volbrachte werk behouden wordt van Gods toorn. En de Bijbel zegt dat een mens door Zijn vergoten bloed gerechtvaardigd wordt voor God, en daardoor vrede kan hebben met de Schepper van hemel en aarde (Rom. 5 : 8 – 10). Dat betekent dat er maar één manier is om tot behoud, tot eeuwig leven te komen, en dat is met uw hart te geloven dat Jezus Christus is opgestaan uit de doden, en dat met uw mond te belijden. Dan wordt een mens behouden (Rom. 10 : 9 – 11, 13).


De boze probeert mensen verblind te houden

Maar wanneer u van die redding in de Heere Jezus gaat getuigen, in uw persoonlijke omgeving of bijvoorbeeld door middel van straatpreken, dan krijgt u te maken met mensen die verschillende achtergronden hebben. Mensen die niet geloven, maar ook mensen die religieus zijn. U krijgt te maken met Protestanten, Rooms-kaholieken, Jehovah’s Getuigen, Mormonen en anderen. Het zijn vaak (let op: niet altijd) mensen die gevangen zitten in een religieus systeem en niet gered zijn, omdat ze door de kerken niet geleerd worden dat of hoe ze wederom geboren moeten worden. Of de wedergeboorte wordt binnen de kerken en geloofsgenootschappen een andere inhoud gegeven dan de Heere er in Zijn woord aan gegeven heeft. Het zijn allemaal pogingen van de boze om mensen verblind te houden, zodat zij niet gered worden. 2 Kor. 4 : 4 zegt: “In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is”. Het is dus goed om voorbereid te zijn, om te weten wat diverse stromingen over de Heere en Zijn woord zeggen, en hoe u dat kunt weerleggen. Maar ook om te weten welke teksten u kunt gebruiken om deze mensen op de redding van de Heere te wijzen.


Is waarschuwen en weerleggen hetzelfde als oordelen en veroordelen?

Maar wanneer het Evangelie dan gebracht gaat worden en wanneer dan diverse individuele stromingen in het licht van Gods woord bekeken worden, om mensen te waarschuwen voor hun verblinding en te wijzen op Gods redding, dan ontstaan er al snel vragen. Mag u bijvoorbeeld wel preken dat mensen verloren zijn en in de hel komen als ze de Heere Jezus niet als hun persoonlijke Verlosser kennen? Mag u bijvoorbeeld wel valse leerstellingen in individuele stromingen weerleggen? Bent u dan niet bezig met oordelen en veroordelen? Is het niet zo dat de Heere daar in Zijn woord tegen waarschuwt? In Matth. 7 : 1 staat toch geschreven: “OORDEELT niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Of Lukas 6 : 42 zegt: “Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den splinter die in uw oog is, uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit te doen die in uws broeders oog is”. En dan is er ook nog Rom. 2 : 1 dat zegt: “DAAROM zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen”. Mag men wel oordelen? Of bent u dan bezig met de splinter bij een ander, terwijl u misschien zelf nog een balk in uw ogen heeft?

In Romeinen is te lezen dat de gelovige rekening moet houden met een broeder of zuster, die op kleine punten leerstellig verschilt, met een broeder of zuster die zwak is in het geloof. Probeer geen aanstoot of ergernis te geven (Rom. 14 : 1 – 10, 13). Dat is een heel goed en Bijbels uitgangspunt om de eenheid onder broeders en zusters te bewaren en om er voor elkaar te zijn. Maar daar gaat deze studie niet over. De genoemde teksten in voorgaande alinea worden vaak te pas en te onpas aangehaald. Want het is wel makkelijk natuurlijk, wanneer u als Christen in de wereld leeft, en iemand wijst u daarop, om te zeggen: “Je mag niet oordelen”. En eveneens is het voor iemand uit de wereld makkelijk om te zeggen: “Je mag niet oordelen”…, want dat de ongelovige verloren is en naar de hel gaat, dat wil de ongelovige niet horen. Evenzogoed is het lastig om te horen wanneer u zich bij een valse religie of valse “Christelijke” kerk hebt aangesloten. Dus dan ligt het al gauw op de lippen: “Je mag niet oordelen”…


“...oordeelt een rechtvaardig oordeel...”

En zo hebben massa’s Christenen zich de mond laten snoeren en wordt de waarheid stilgehouden. En dan te bedenken dat Paulus, juist in de context van het “van stad tot stad” reizen (Hand. 20 : 23), in het openbaar verkondigen en het aan Joden en heidenen bij de huizen verkondigen (Hand. 20 : 20) van het Evangelie der genade Gods (Hand. 20 : 24), zegt dat “al den raad Gods” verkondigd behoort te worden (Hand. 20 : 27)… Het kan dus niet de bedoeling zijn dat “OORDEELT niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” (Matth. 7 : 1) gebruikt wordt om de waarheid de mond te snoeren. Dan zou Gods woord met Zichzelf in tegenspraak zijn.

Teksten die mensen in het kader van “oordelen” vaak niet kennen, zijn bijvoorbeeld Joh. 7 : 24 en 1 Kor. 2 : 15. In Joh. 7 : 24 zegt de Heere Jezus tegen de Joden: “Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel”. Blijkbaar mogen mensen dus wel oordelen… Zo wordt de Gemeente in 1 Kor. 2 : 15 het volgende voorgehouden: “Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden”. Hier wordt niet zozeer het woordje “oordelen” gebruikt, maar “onderscheiden”. Maar het is duidelijk dat de gelovige “onderscheid” hoort te maken tussen goed en kwaad, tussen de dingen die van de Heere zijn en de dingen die niet van de Heere zijn. De gelovige hoort daar weldegelijk een oordeel over te fellen. Een rechtvaardig oordeel.


Wees niet schijnheilig...

Dit gezien hebbende, laten we kijken naar de context van Matth. 7 : 1. In de context van Matth. 7 : 1 staat Matth. 7 : 5 (zie ook Luk. 6 : 42): “Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen”. “Gij geveinsde”… Dat betekent: “Gij hypocriet”… of: “Gij schijnheilige”… Als voorbeeld kunt u denken aan de Farizeeën, die, buiten de Schrift om, allemaal regeltjes voor het volk bedachten, maar zich er zelf niet aan hielden (Matth. 23 : 3, 4). Ze waren hypocriet, schijnheilig, geveinsd. Deze teksten spelen voor het kruis van de Heere Jezus. Maar dat neemt niet weg dat ook wij ervan kunnen leren. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat u anderen gaat prediken, terwijl u er zelf een potje van maakt. Het gebeurt nog weleens: Mensen die het heel goed weten, en anderen precies uit de doeken kunnen doen hoe de dingen van de Heere in elkaar steken, totdat iemand bij hen zelf komt. Aan eigen hoogmoed, trots, ik-gerichtheid, het eigen vlees, daar willen ze dan niets aan doen. Dat is geveinsdheid, ook vandaag de dag. En daar waarschuwt de Heere tegen.

Paulus zegt in 1 Kor. 9 : 27: “Maar ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde”. Dus het begint bij uzelf. In 1 Kor. 11 : 31 lezen we: “Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden”. De gelovige komt niet voor het Laatste Oordeel van de Grote Witte Troon, maar wel voor de Rechterstoel van Christus… Maar… dit vers gaat ook over oordeel hier op aarde in de vorm van bijvoorbeeld kastijding en tuchtiging (1 Kor. 11 : 32). Begin daarom met naar uzelf te kijken, zodat u zelf niet verwerpelijk wordt. Maar de teksten in Matth. 7 houden geenszins in dat de waarheid niet verkondigd moet worden.


Denk niet dat u beter bent dan de ander...

En dan de context van Rom. 2 : 1. Allereerst is het goed om te zien dat hier niet de gelovige in Christus aangesproken wordt. Rom. 2 : 1 laat zien dat de “mens” in het algemeen wordt aangesproken, eigenlijk de heidenvolken. Paulus wil graag enige vrucht hebben onder de heidenen van Rome (Rom. 1 : 13). En dan zegt hij in Rom. 1 : 18: “Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden”. Dit gaat dus over mensen, heidenen, die de Heere Jezus nog niet kennen. En dan volgt in Rom. 1 een gedeelte hoe de heidenen de Heere niet hebben gewild, en hoe de Heere hen heeft overgegeven aan allerlei zonde. En dan zegt dus Rom. 2 : 1: “DAAROM zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen”. De heidenen veroordelen zichzelf. Mensen zijn van nature heel goed in “met het vingertje wijzen”. “Zie je hoe slecht hij is?”, of “zie je wat hij doet?” De mens is geneigd om naar de ander te wijzen, die in zijn of haar ogen slechter is dan zichzelf. En op die manier wil de natuurlijke mens denken dat het wel goed met hem of haar komt. Want zo slecht kan hij of zij zelf toch niet zijn? Maar dan zegt Gods Woord met Rom. 2 : 1: “Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen”. Als het om bijv. de Wet gaat, laat de Heere zien, dat als een mens in één gebod struikelt, deze mens schuldig is aan alle geboden (Jak. 2 : 10). De mens kan wijzen naar iemand die moordt, terwijl hijzelf (of zijzelf) misschien wel denkt rein te leven, maar ondertussen wel naar die mooie vrouw (of man) kijkt die voorbij komt… Begeren is voor de Heere gelijk aan overspel (Matth. 5 : 28). Of de mens nu moord, of overspel pleegt, liegt, de ouders ongehoorzaam is, of vul maar iets in (en lees Rom. 1 : 29 – 31 eens door), de mens is in overtreding aan Gods Wet. De mens is niet te verontschuldigen… Gods toorn gaat erover komen… tenzij de mens tot bekering komt en zich laat rechtvaardigen door Jezus Christus.

Dat is waar Rom. 2 : 1 over gaat. Opnieuw is het geen waarschuwing om de waarheid niet te zeggen. De Heere zegt door Paulus in dezelfde context nota bene dat het “oordeel Gods naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen” (Rom. 2 : 2), en dat zij dat niet kunnen ontvluchten (Rom. 2 : 3). Dát is weldegelijk de boodschap die gebracht moet worden.


“Predik het Woord...wederleg, bestraf, vermaan...”

En dat geldt dus ook voor waarschuwingen tegen dwaalleer. In Gal. 1 : 6 zegt Paulus tegen de Galaten: ”Ik verwonder mij dat gij zo haast wijkende van Dengene Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie”. En in Gal. 3 : 1: ”O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; ...”. Paulus praat niet naar de mond, maar hij waarschuwt. Als het om dwaalleraars gaat, wordt ook wel over “leringen der duivelen” gesproken, die gebracht worden door “verleidende geesten” (1 Tim. 4 : 1). Wij mogen de apostel Paulus hierin navolgen, zoals 2 Tim. 4 : 2 zegt: “Predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer”. Dat heeft niets met oordelen en veroordelen te maken. Ongelovigen, maar ook religieuzen, zijn reeds veroordeeld (Joh. 3 : 18), en het enige wat hen kan redden is de verkondiging van de waarheid van het woord van God, de verkondiging van het Evangelie der genade Gods.